In de nacht hoor ik zachte voetstappen langs mijn slaapkamerdeur gaan.
Ik bid dat de eigenaar van die voeten de deur van de laatste slaapkamer niet opent. Nee, ik hoor de trapdeur opengaan.
Ik moet opstaan en kijken wie dat is: mijn zoon of iets anders?
Mijn man die naast mij ligt te slapen, durf ik niet wakker te maken.
Ik weet dat de hel losbreekt als ik dat doe.
Ik verzamel moed en sta op.
Voorzichtig loop ik naar de slaapkamer van mijn zoon.
Leeg.
Dan loop naar het trapgat en kijk naar beneden. Het is aarde donker, zie niets maar hoor geschuifel. Beneden is één grote ruimte, geen kamers met deuren.
Mijn zoon is doodsbang in dit enge huis en ik kan hem niet alleen daar beneden laten rondlopen.
Hij slaapwandelt en beseft niet dat hij naar beneden is gegaan.
Ik roep hem, voorzichtig, niet te luid.
Het geschuifel stopt.
Ik roep nogmaals, nu iets luider.
Dan een gil, ik schrik daar zo van dat ik ook ga gillen.
Rennende voetstappen, dan vliegt mijn zoon in mijn armen, huilend.
Ik neem hem weer mee naar zijn slaapkamer en blijf nog een poosje bij hem zitten.
Eenmaal weer terug in mijn eigen bed denk ik na over dit huis waar geesten rondwaren.
Kranen die zomaar gaan lopen, lichten aan-of uit gaan.
Waar je voetstappen in de nacht hoort, soms stemmen.
Die laatste slaapkamer waar volgens mijn man de geest van een overledene woont.
Ik wil hier weg, terug naar Nederland.
Maar hier, Suriname is nu mijn thuisland.
Maar thuis zal het nooit worden, niet in dit huis.
Recente reacties