Wij, de eenentwintig bewoners van “De Herenburcht”, een seniorenflat, vormen met elkaar een klein “ dorpje “ in ons dorp Alphen aan den Rijn. We wonen boven een winkelcentrum. Het is een gezellig groepje ouderen met een zeker mate van sociale controle. De naam doet veronderstellen dat er voornamelijk heren wonen, maar de drie heren die hier wonen zijn duidelijk in de minderheid.
Corrie, onze oudste bewoonster is drieënnegentig jaar en kookt nog elke dag voor zichzelf. Zo hebben we nog 5 bewoonsters tussen de vijfentachtig en negentig jaar. Allemaal vrouwen, natuurlijk, wij zijn niet voor niks het sterke geslacht.
Wij “jongeren” houden een oogje in het zeil. Bij slecht weer of als het sneeuwt doen we de boodschappen of brengen en halen onze oudere medebewoonsters, naar de dokter of ziekenhuis. Als we iemand een poosje niet hebben gezien gaan we op onderzoek uit.
Zo ging het ook met Winny, negentig jaar oud, een gezellige kwieke dame. Ze kwam geregeld omstreeks vijf uur vragen of je een “glaasje”kwam drinken. Ging bij de bakker een kopje koffie drinken, maakte een praatje met mensen die ze tegenkwam, snuffelde rond in de boekhandel of kocht een nieuw jasje of rok. Af en toe vergat ze wel eens wat, of kocht bij Albert Heijn iets wat ze totaal niet nodig had.
Toen ze een keer in de supermarkt bestolen was van haar portemonnee was dat voor haar kinderen reden om een plaats voor haar te zoeken in een verzorgingshuis. Ze overtuigden Winny ervan dat dat het beste voor haar was en binnen drie maanden verhuisde Winny naar een verzorgingshuis.
Toen ik haar daar na drie weken kwam opzoeken schrok ik van het oude vrouwtje dat ik aantrof. De trieste blik in haar ogen, de berusting; “dit is het beste voor mij”zei ze.
De groene barakken waarin ze nu woont met een hek erom heen doen mij denken aan een strafkamp. Ze woont “in the middle of nowhere”, geen bakker of winkel in de verre omtrek. Ze kan niet weg, alles wordt voor haar gekocht, ze komt niets tekort. Ze heeft geen zin meer in het leven en heeft om euthanasie gevraagd. De laatste keer dat ik bij haar was heeft ze me verteld dat ze zelf geprobeerd heeft er een eind aan te maken door een kussen op haar gezicht te leggen. Weer terug in mijn de auto, op weg naar huis, heb ik zitten huilen.
Dan krijg ik een telefoontje van haar dochter, of ik haar moeder de komende tijd wat vaker wil opzoeken, want wij gaan met vakantie zegt ze. Moeder hoeven ze niet meer elke dag te bellen om te weten of het goed is met haar, ze hoeven ook niet zo vaak meer langs te komen, want er wordt goed voor haar gezorgd, moeder zit veilig opgeborgen in haar “strafkamp”.
Recente reacties